Rb. 's-Gravenhage 12 oktober 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9096
artikel 1(F) Vv, intrekking verblijfsvergunning, artikel 3 EVRM, duurzaam, vertrouwensbeginsel, rechtsverwerking, rechtsherstel, artikel 6 EVRM, redelijke termijn 3 evrm en duurzaam: Nu verweerder ter zitting een met het bestreden besluit strijdig standpunt heeft ingenomen en verschillende aanvangsdata heeft gehanteerd in het kader van de vraag of artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van eiser, ontbeert het bestreden besluit op dit punt reeds hierom een deugdelijke motivering Vertrouwensbeginsel: Aan de handelwijze van verweerder heeft eiser niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat hem het bepaalde in artikel 1(F) Vv niet zou worden tegengeworpen. Dit is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling eerst anders indien verweerder expliciet zou hebben verklaard dat dit artikel niet aan eiser wordt tegengeworpen. Van een dergelijke expliciete toezegging is in de onderhavige zaak echter geen sprake. Bij het ontbreken van een toezegging dient eiser er steeds rekening mee te houden dat op enig moment rechtsherstel kan plaatsvinden ter zake van een op basis van onjuiste of onvolledige informatie verkregen vergunning. Rechtsherstel – rechtsverwerking: De mogelijkheid tot rechtsherstel, hoewel dit naar zijn aard in beginsel niet aan termijnen gebonden is, wordt op enig moment begrensd door rechtsverwerking. In geval van eiser is die begrenzing mede gelegen in het aanzienlijke tijdsverloop tussen het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van 5 februari 2002 en het uiteindelijke besluit daartoe op 24 november 2010. Verweerder heeft in redelijkheid niet kunnen overwegen dat het tijdsverloop van onvoldoende gewicht is om van de intrekking van de verblijfsvergunning af te zien. Redelijke termijn: een behandeltermijn van de beslechting van het geschil van vier jaren is redelijk, daarbinnen mag de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaren duren (Afdeling 7 april 2010, nr. 200906777/1/H2) De rechtbank concludeert tot een overschrijding van de redelijke termijn van vier jaren en vijf maanden van de zijde van verweerder, waarbij is uitgegaan van vijf jaren en twee maanden na afloop van de redelijke termijn van vier jaren per 19 augustus 2006, met aftrek van zeven maanden die niet voor rekening van verweerder komen. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. De overschrijding van de redelijke termijn is aan verweerder toe te rekenen. Bij de berekening van de schadevergoeding gaat de rechtbank uit van € 500,-- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Gelet hierop wordt verweerder veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan eiser ten bedrage van € 4.500,-- (negen maal € 500,--).
De uitspraak op rechtspraak.nl