Rb. 's-Gravenhage 24 oktober 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7277
Geen proces-belang gelet op ongewenstverklaring De stelling van eiser ter zitting dat hij, gelet op bovengenoemde jurisprudentie van de Afdeling, gedwongen wordt zijn vrees voor vervolging dan wel het risico op schending van artikel 3 EVRM in de procedure over de opheffing van zijn ongewenstverklaring te bepleiten, hetgeen in die procedure niet naar behoren kan, volgt de rechtbank niet. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 9 mei 2007 met nr. 200701433/1) kan een vreemdeling in een procedure tegen de ongewenstverklaring of in een procedure tegen de eventuele weigering om die ongewenstverklaring op te heffen al zijn stellingen ter onderbouwing van zijn gestelde vrees voor vervolging dan wel gesteld risico op schending van artikel 3 EVRM naar voren brengen. Tegen beslissingen in deze procedures staan rechtsmiddelen open die de mogelijkheid tot rechtsherstel bieden. Eiser wordt dan ook niet een effectief rechtsmiddel onthouden en van schending van artikel 13 EVRM is dan ook geen sprake. Eiser heeft zich slechts in het algemeen beroepen op de Procedurerichtlijn en geen bepalingen genoemd dan wel argumenten aangedragen, op grond waarvan het vorenstaande niet langer zou gelden. Het beroep van eiser, tenslotte, op artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn kan de rechtbank niet volgen. In dat artikel is, voor zover hier van belang, bepaald dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn het beginsel van non-refoulement eerbiedigen. Dit beginsel is in acht genomen in de Europese regelgeving inzake asiel en subsidiaire bescherming, zoals hierboven besproken en behoeft derhalve geen afzonderlijke beoordeling meer. Vorenstaande geldt eveneens voor het door eiser genoemde artikel 7 IBPR, dat dezelfde strekking heeft als artikel 3 EVRM. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van de vaste lijn van de jurisprudentie van de Afdeling. Nu de ongewenstverklaring van eiser in rechte vast staat en thans nog niet is beslist op het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring, heeft eiser geen belang bij het onderhavige beroep. De rechtbank zal het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl