Rb. 's-Gravenhage 14 november 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5791

Aan de orde is of de beschieting van een Liberiaanse olietanker, gecharterd door Iran, tijdens de Iran-Iraakse oorlog een misdrijf als bedoeld in artikel 1F vormt. De rechtbank merkt de olietanker aan als een militair doelwit waarmee een militair voordeel viel te behalen. Verweerders standpunt dat sprake is van schending van Rules 17 tot en met 20, artikel 57 en artikel 147 van de Geneva Convention en 85 van het Protocol Additional to the Geneva Conventions of 12 August 1949, en artikel 8, tweede lid, onder b, van het Statuut van Rome, is daarom onvoldoende gemotiveerd. Het betrof een gerichte aanval en daarom kan niet worden gezegd dat sprake is van een niet-discriminatoire aanval als bedoeld in artikel 85 van Protocol I. Ofschoon sprake is van een aanval zonder voorafgaande waarschuwing op een schip met een burgerbemanning, is de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheid niet leidt tot het oordeel dat sprake is van een schending van Rule 16 (het treffen van voorzorgsmaatregelen om burgerslachtoffers te voorkomen). De burgerbemanning nam weliswaar niet rechtstreeks deel aan de gevechten, zij voer wel op een schip in exclusieve dienst van de overheid van één van de partijen in een internationaal gewapend conflict, dat tevens onderdeel uitmaakte van het Iraanse olie-exportsysteem. De burgerbemanning was in het verleden geconfronteerd met aanvallen op het schip. Bovendien kan niet uit het oog worden verloren dat door Irak een Exclusion Zone was afgekondigd. Dat deze Exclusion Zone en wijze van oorlogvoering als zodanig volgens alle deskundigen zonder meer in strijd is met het internationale oorlogsrecht wordt door de rechtbank weliswaar gevolgd, doch kan er niet aan afdoen dat door Irak enige vorm van waarschuwing is gegeven. Nu de aanval geen oorlogsmisdrijf is, kan eiser artikel 1F niet worden tegengeworpen. In het midden kan blijven of eiser heeft deelgenomen aan de aanval en of sprake is van knowing and personal participation. Verweerder heeft verder onvoldoende gemotiveerd waarom de omstandigheden dat de zoon van eiser zwakbegaafd is en tevens zoon is van een parlementslid niet leiden tot toelating op grond van artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw 2000.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen