Rb. 's-Gravenhage 30 augustus 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BT8667
Verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdende met het verblijfsdoel “verblijf bij partner”. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat referent in het jaar voorafgaand aan de aanvraag – in het boekjaar dat liep van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 - een netto-inkomen als zelfstandige heeft genoten dat lager is dan de inkomensnorm zoals die is neergelegd in artikel 3.74 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Daarmee is niet voldaan aan het middelenvereiste. Eiseres is bij navraag bij ambtenaren in dienst van verweerder meegedeeld dat over een periode van 18 maanden, voorafgaande aan de aanvraag, het gemiddelde inkomen over die periode zou worden berekend en niet, zoals nu is gebeurd, naar het gemiddelde inkomen per (afgesloten) boekjaar, waarbij de inkomsten niet worden gemiddeld over een langere periode dan één jaar. Hierdoor is het gemiddelde inkomen van het boekjaar 2009 door verweerder als uitgangspunt genomen en is de periode van 1 januari 2010 tot de datum van aanvraag van 25 juni 2010 niet bij de berekening betrokken. Op grond van artikel 3.20, eerste lid, VV, in samenhang met het beleid van verweerder volgens paragraaf B1/4.3.3, Vc, wordt de zelfstandig ondernemer in staat gesteld zijn inkomsten over de anderhalf jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen dan wel de beschikking is gegeven, aan te tonen en daarmee de duurzaamheid van zijn inkomen voor de toekomst. In bezwaar dient een volledige heroverweging ex nunc plaats te vinden van het primaire besluit. De heroverweging vindt in dit geval plaats op het moment dat een nieuw boekjaar zijn aanvang heeft genomen en het oude boekjaar is afgesloten. Daarmee verschuift het peiljaar van 2009 naar 2010. De rechtbank leest voornoemd beleid van verweerder aldus dat op het moment van de beslissing op bezwaar van 7 februari 2011, 18 maanden moet worden teruggerekend. Derhalve valt het boekjaar 2010 in de berekening, alsmede (een gedeelte van) de tweede helft van het boekjaar 2009. Gesteld en niet bestreden is dat door referent in de tweede helft van 2009 veel meer inkomen is gegenereerd dan in het eerste half jaar van dat jaar. Hetgeen gemachtigde van verweerder ter zitting heeft gesteld dat, in het geval de peildatum van de bestreden beschikking van 7 februari 2011 wordt gehanteerd, dan nog steeds het resultaat van het gehele boekjaar van 2009 moet worden meegenomen, is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met artikel 3.20, eerste lid, VV, nu op deze wijze niet een periode van 18 maanden, maar van 24 maanden wordt gehanteerd. Nu voorts niet is bestreden dat de inkomsten van referent voor nog een jaar beschikbaar zijn, had verweerder mede gezien de onduidelijkheden die reeds ten tijde van de beslissing in primo waren ontstaan in de communicatie tussen de ambtenaren van het IND en referent - en die bij verweerder bekend waren - in het kader van een zorgvuldige besluitvorming niet mogen afzien van horen. De enkele stelling van verweerder dat van een hoorzitting is afgezien omdat de gronden van bezwaar geen aanleiding gaven voor vragen, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft betoogd, acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden onvoldoende gemotiveerd. Reeds hierom is het beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl