Rb. 's-Gravenhage 14 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4707
De beroepsgrond van eiseres dat zij de stelling van verweerder dat sprake is van kostendekkende leges niet heeft kunnen verifiëren, begrijpt de rechtbank, gelet op haar beroep op punt 13 van de considerans van richtlijn 2003/86/EU en punt 10 van de considerans van richtlijn 2003/109/EG aldus, dat zij betwist dat sprake is van een doorzichtige en billijke procedure en dat zij betwist dat sprake is van kostendekkende leges. Omdat uit de onder rechtsoverweging 2.5 opgenomen overwegingen van de Afdeling blijkt dat de Afdeling van oordeel is dat uit de considerans van richtlijn 2003/109/EG volgt dat legesheffing doorzichtig en billijk moet zijn, dient de rechtbank, omdat de considerans van richtlijn 2003/86/EG op dit punt vrijwel gelijkluidend is met richtlijn 2003/109/EG derhalve te beoordelen of de in deze zaak geheven leges doorzichtig en billijk is. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder met de enkele overweging in het bestreden besluit dat de geheven leges billijk zijn, omdat ze berekend zijn aan de hand van en aansluiten bij de daadwerkelijk gemaakte kosten, onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat de legesheffing ten aanzien van eiseres doorzichtig en billijk is. Dat het legesbedrag alleen is samengesteld uit daadwerkelijke kosten, blijkt immers niet. Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren. Hetgeen voorts door eiseres is aangevoerd, behoeft daarom hier geen bespreking. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 Awb. De rechtbank zal verweerder opdragen om een nieuwe beslissing te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl