Rb. 's-Gravenhage 29 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4263

Aanvraag ‘arbeid in loondienst’. Asielvergunning met arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ doet niet af aan de toepasselijkheid van 3.31 van het Vb 2000. In de één na laatste alinea van paragraaf B5/3.2.3 van de Vc 2000 staat dat een vreemdeling die drie jaar arbeid heeft verricht waarvoor na toetsing aan prioriteitsgenietend aanbod een TWV was afgegeven en die om die reden vrij is op de arbeidsmarkt, een vergunning kan krijgen ook als met zijn werkzaamheden niet (langer) een wezenlijk belang zijn gediend. Naar het oordeel van de rechtbank houdt de laatste alinea van die paragraaf in dat in die situatie een verblijfsvergunning ‘arbeid in loondienst’ kan worden afgegeven als de vreemdeling in ieder geval aan de voorwaarden b, c en e van artikel 3.31, tweede lid, van de Vb 2000 voldoet. De rechtbank volgt de door eiser bepleitte uitleg van paragraaf B5/3.2.3 van de Vc 2000, niet. Uit de toelichting op het WBV 2006/30, waarbij de laatste twee alinea’s van voornoemde paragraaf aan het beleid zijn toegevoegd, noch op andere wijze blijkt dat hiermee beoogd is dat in alle gevallen waarin een arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ is verleend, ook een verblijfsvergunning arbeid in loondienst dient te worden verleend zonder dat er een arbeidsmarkttoets wordt uitgevoerd waarbij gekeken wordt of er niet reeds voldoende prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. De door verweerder gegeven uitleg, dat de laatste twee alinea’s van paragraaf B5/3.2.3 van de Vc 2000 in samenhang dienen te worden bezien, ligt naar het oordeel van de rechtbank meer voor de hand.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen