Rb. 's-Gravenhage 27 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3494
bewaring, Mobiel Toezicht Veiligheid, 4.17a Vb 2000, redelijk vermoeden illegaal verblijf, staandehouding Vaststaat dat eiser op 11 juli 2011, om 19:55 uur staande is gehouden, derhalve buiten de in het kader van de MTV-controle in het aanvullend proces-verbaal van 21 juli 2011 vastgelegde periode van 20:00 uur tot 21:30 uur. Hoewel in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding, gedateerd 11 juli 2011, wordt gemeld dat de controle is uitgevoerd overeenkomstig het gestelde in artikel 4.17a, van het Vb 2000 is de rechtbank van oordeel dat de controle waarbij eiser staande is gehouden niet daar onder is te scharen. De rechtbank vindt voor dat oordeel steun in het aanvullend proces-verbaal van 21 juli 2011 waaruit blijkt dat de verbalisant op weg naar de controlelocatie en vóór 20:00 uur eiser staande heeft gehouden. Nu evenmin uit voornoemde processen-verbaal kan worden afgeleid dat de verbalisant eisers staandehouding heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van artikel 8a van de Politiewet 1993, gaat de rechtbank er van uit dat in feite sprake is geweest van een staandehouding krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die naar voren komen uit eerdergenoemd proces-verbaal van 21 juli 2011 is de rechtbank niet gebleken van feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf van de vreemdeling in Nederland opleverden. Het gestelde in de opgemaakte processen-verbaal is niet toereikend om te kunnen concluderen dat met betrekking tot de auto, waarin eiser zich bevond, naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden kon worden aangenomen dat met die auto illegale personen werden vervoerd. Het enkele feit dat de auto was voorzien van een Pools kenteken is daartoe onvoldoende. Eiser is derhalve niet rechtmatig staandegehouden.
De uitspraak op rechtspraak.nl