Rb. 's-Gravenhage 11 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2467
Verweerder heeft niet draagkrachtig gemotiveerd dat de handelingen die aan eiser worden verweten, te weten marteling, gepleegd zijn als onderdeel van een stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking. Uit de door verweerder aangehaalde informatie, noch uit de verklaring van eiser zelf, blijkt dat het martelen van arrestanten en gevangenen, ten einde een bekentenis af te dwingen, voorkwam in het vooronderzoek, dan wel dat hieraan een vooropgezet plan ten grondslag lag en dat de handelingen werden uitgevoerd volgens een vast patroon. Verweerder heeft dan ook onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat artikel 1(F), aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Er is geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen, omdat verweerder op goede gronden artikel 1(F), aanhef en onder b en c Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling die is verboden in artikel 3 EVRM. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wordt geoordeeld dat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen op 8 januari 2002. De redelijke termijn is met vier jaar, vijf maanden en acht dagen overschreden.
De uitspraak op rechtspraak.nl