Rb. 's-Gravenhage 23 juni 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1287

De gedragingen en handelingen waarmee eiser in verband wordt gebracht zijn moord, deportatie, marteling en/of foltering en de verdwijning van personen. Eiser heeft hierover verklaard tijdens het nader gehoor. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor de beantwoording van de vraag of de gedragingen van eiser als oorlogsmisdrijf of misdrijf tegen de menselijkheid moeten worden aangemerkt, zich mede heeft kunnen baseren op verdragen op het gebied van het internationaal strafrecht die dateren van na de periode waarin eiser die gedragingen heeft begaan. Dat is inherent aan de aard van deze schendingen (van absolute en wereldwijd verankerde normen) en van het feit dat het vastleggen van deze normen een proces in ontwikkeling is, waaraan een dynamisch karakter inherent is. Verweerder heeft eiser terecht in verband gebracht met gedragingen en handelingen die moeten worden aangemerkt als misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gedragingen van eiser terecht heeft aangemerkt als gepleegd als onderdeel van een stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking en terecht heeft geconcludeerd dat eiser kennis had van deze aanval. De wijze van optreden van het ELF tegenover mogelijke tegenstanders van de onafhankelijkheid onder de bevolking, was structureel (eiser heeft zijn functie van verklikker o.a. jarenlang vervuld), gebaseerd op een uitgebreid en uitgewerkt systeem van regels en codes, terwijl het de bedoeling was die tegenstanders met die geweldsuitoefening te elimineren. Eisers verklaringen in de gehoren bieden een afdoende basis voor deze conclusie. In het aanvullend gehoor van 4 februari 2010 (pagina 11) heeft eiser toegegeven dat vaak grote groepen studenten en boeren door het ELF zijn gedood, en dat hij daarvan had gehoord. Eiser heeft jarenlang werkzaamheden verricht voor deze organisatie zoals hierboven aangegeven. Verweerder heeft het conflict in Eritrea terecht aangemerkt als een intern gewapend conflict. Verweerder heeft dan ook de gedragingen van eiser kunnen aanmerken als één of meer misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven zoals bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag. Deze misdrijven houden een overschrijding in van een norm van dwingend internationaal recht, terwijl deze norm onder geen enkele omstandigheid een afwijking toelaat. Het begaan van dergelijke misdrijven mag dan ook nooit worden aangewend als middel om welke doelstelling dan ook te realiseren. Dat brengt met zich mee dat een dergelijk misdrijf nooit kan worden aangemerkt als een politiek misdrijf. Dat betekent dat verweerder de gedragingen van eiser heeft kunnen aanmerken als ernstige, niet-politieke misdrijven als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Tevens moet worden geconcludeerd dat eiser door zijn werkzaamheden voor het ELF zoals hierboven gememoreerd, wezenlijk heeft bijgedragen aan het plegen van deze misdrijven. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser aan het plegen van die misdrijven persoonlijk heeft deelgenomen en dat hij hiervoor persoonlijk verantwoordelijk moet worden gehouden. Ten aanzien van het beroep van eiser op de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gesteld die verweerder hadden moeten nopen om van zijn beleid af te wijken. Eisers stelling dat hij zijn straf reeds heeft uitgezeten, treft geen doel nu niet is aangetoond waarvoor hij een straf heeft uitgezeten en zoals reeds vermeld, dit niet wegneemt dat eiser de hem verweten gedragingen heeft gepleegd. Het feit dat de gedragingen veertig jaar geleden zijn verricht, doet niets af aan de ernst van de misdrijven en is verdisconteerd in het beleid. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen