Rb. 's-Gravenhage 9 juni 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9906
Homoseksueel uit Oeganda. Verweerder gaat eraan voorbij dat verzoeker heeft gesteld gegronde vrees te hebben voor (strafrechtelijke) vervolging wegens het behoren tot een bepaalde sociale groep, namelijk homoseksuelen. Nu zijn seksuele geaardheid door verweerder geloofwaardig is geacht, had verweerder dienen te bezien of verzoeker verdragsvluchteling is, louter op grond van zijn homoseksuele geaardheid, waarbij verweerder had moeten betrekken dat ingevolge artikel 9, tweede lid, sub c, richtlijn 2004/83/EG, als daad van vervolging kan worden beschouwd een onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing. In casu is daarvan sprake, nu homoseksualiteit strafbaar is gesteld in Oeganda. Daarbij heeft verzoeker onweersproken gesteld dat de maximale bestraffing een levenslange gevangenisstraf betreft. In plaats daarvan heeft verweerder slechts beoordeeld of verzoeker als homoseksueel heeft te vrezen voor discriminatie, hetgeen een andere (en zwaardere) toetsingsmaatstaf meebrengt; namelijk of verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.
De uitspraak op rechtspraak.nl