Rb. 's-Gravenhage 2 mei 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8146

Verweerder heeft erkend dat sprake is van een naar Nederlands internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk en bevestigd dat artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder a, Vb op de onderhavige aanvraag van toepassing is. Daarmee maakt de vraag of sprake is van een duurzame en exclusieve relatie geen deel uit van de te verrichten beoordeling. Door desondanks te beoordelen of eiseres en referent in staat worden geacht een duurzame en exclusieve relatie op te bouwen en de aanvraag mede daarop af te doen, heeft verweerder in het bestreden besluit dan ook een onjuist toetsingskader gehanteerd. De beoordeling van de vraag of eiseres en referent niet over voldoende geestelijke vermogens of voldoende zelfstandigheid beschikken om bewust en zelfstandig de keuze van een huwelijkspartner te hebben gemaakt en of daarom sprake is van een schijnhuwelijk behoort naar het oordeel van de rechtbank evenmin tot het toetsingskader van de voorliggende aanvraag. Ook artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn behoort niet tot het toetsingskader van de onderhavige aanvraag, nu dat artikel bij de implementatie van die richtlijn niet is opgenomen in de nationale regelgeving. Het besluit om de aanvraag af te wijzen op grond van de veronderstelling dat sprake is van een schijnhuwelijk kan geen stand houden. Beroep gegrond

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen