Rb. 's-Gravenhage 24 maart 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7677

De asielaanvraag van eisers, afkomstig uit Macedonië, is op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met 31, tweede lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 afgewezen omdat zij afkomstig zijn uit een zogeheten ‘veilig land van herkomst’. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de door eisers genoemde bronnen niet aangenomen kan worden dat Macedonië jegens eisers zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Hoewel daaruit volgt dat de Roma discriminatoir worden bejegend, hun levensomstandigheden in Macedonië zwaar zijn en hun positie zorgelijk is, is daaruit ook op te maken dat de Macedonische autoriteiten de positie van de Roma in Macedonië proberen te verbeteren. In ieder geval kan uit deze informatie niet in algemene zin worden afgeleid dat Macedonië zijn verplichtingen, voortvloeiend uit de relevante mensenrechtenverdragen, niet naleeft. De in beroep door eisers overgelegde arresten van het EHRM geven onvoldoende aanleiding voor een andersluidend oordeel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gebeurtenissen in die zaken, die hebben geleid tot het indienen van een klacht bij het EHRM, en naar aanleiding waarvan Macedonië uiteindelijk is veroordeeld wegens schending van artikel 3 en 13 van het EVRM zien op de periode van 1998 tot 2000.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen