Rb. 's-Gravenhage 28 april 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7105
Grensdetentie / gezin met minderjarige kinderen / artikel 5 sub f EVRM / verblijfsomstandigheden / schadevergoeding. In navolging van de eerdere uitspraak van 13 oktober 2010 (LJN: BO1314) is de rechtbank van oordeel dat het tenuitvoerleggen van de grensdetentie in het AC Schiphol ten aanzien van minderjarige asielzoekers op grond van het grensbewakingbelang zich niet verhoudt tot het vereiste van goede trouw. Dat het hier gaat om begeleide minderjarigen, maakt dit niet anders. Voorts blijkt uit het overlegformulier dat bij het indienen van de asielaanvragen was besloten om het gezin na de nadere gehoren in de verlengde asielprocedure op te nemen. De maatregel stond daarom ook onvoldoende in verband met het doel om ongeoorloofde binnenkomst te voorkomen. Nu de verblijfomstandigheden sinds de uitspraak van 13 oktober 2010 niet zijn gewijzigd overweegt de rechtbank opnieuw dat het AC Schiphol qua gebouw noch anderszins is aangepast aan het verblijf van minderjarige asielzoekers. De bewaring van de drie minderjarige asielzoekers was op grond van het voorgaande dan ook willekeurig. Beroepen gegrond in verband met strijd met art. 5 lid 1 sub f EVRM en toekenning van schadevergoeding. De ouders en overige meerderjarige familieleden hebben niet onderbouwd waarom hun detentie in strijd was met art. 5 lid 1 sub f EVRM. Van een onrechtmatige detentie als gevolg van een scheiding van hun kinderen is voorts geen sprake nu deze scheiding zich feitelijk niet heeft voorgedaan. Beroepen ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl