Rb. 's-Gravenhage 22 april 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7088

Naar het oordeel van de rechtbank betekent de Wet inburgering een beperking van het recht op toegang tot de arbeidsmarkt en vrije vestiging, nu een vreemdeling als gevolg hiervan – kort gezegd – een examen moet behalen. Dit was bij de inwerkingtreding van besluit 1/80 niet het geval. Verweerders standpunt dat met het inburgeringsvereiste bij verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd geen nieuwe beperking is ingevoerd, volgt de rechtbank daarom niet. De omstandigheid dat eiser in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van besluit 1/80 waarmee hij toegang heeft tot de arbeidsmarkt maakt het vorenstaande niet anders. Het gaat er immers om dat Turkse staatsburgers niet mogen worden geconfronteerd met nieuwe regels die hen op enigerlei wijze beperken in hun recht op arbeid en vestiging. Voorts worden Turkse staatsburgers bij het niet toepassen van het vereiste van het behalen van het inburgeringsexamen niet gunstiger behandeld dan unieburgers. Gelet op artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet inburgering, geldt de inburgeringsplicht voor unieburgers namelijk niet. De rechtbank concludeert daarom dat de standstillbepaling van artikel 13 van besluit 1/80 aan het vereiste van het behalen van het inburgeringsexamen bij verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op grond van artikel 20 van de Vw 2000 in de weg staat.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen