Rb. 's-Gravenhage 3 mei 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ6640
Mandatering van de bevoegdheid tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel aan de regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek, is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eisers stellen, niet in strijd met de wet. Een beperking aan de mandatering van deze bevoegdheid is immers in de wet niet gesteld. Wel is in de Memorie van Toelichting overwogen dat het mandaat voorbehouden blijft aan de korpschef of andere hooggeplaatste functionarissen, maar - nog daargelaten of deze overweging ook betrekking heeft op de mandatering van de bevoegdheid een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, of uitsluitend op de bevoegdheid een vrijheidsbenemende maatregel op te leggen - is er geen grond voor het oordeel dat de regievoerder niet aan te merken is als een functionaris aan wie de bevoegdheid een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, kan worden gemandateerd. De aard van de bevoegdheid, welke inderdaad ingrijpend van aard is, verzet zich daartegen niet. De regievoerder is immers belast met het faciliteren van het vertrek van eisers en voert in dat kader met hen vertrekgesprekken. Het ligt in de lijn van deze verantwoordelijkheid om ook het besluit om een vrijheidsbeperkende maatregel namens verweerder op te leggen. Voor zover eiser meent dat mandatering alleen mogelijk is aan de korpschef en een hulpofficier van justitie, is dat niet uit de wet of het Voorschrift Vreemdelingen af te leiden. Op grond van artikel 5.2, tweede en derde lid, Voorschrift Vreemdelingen kan weliswaar de korpschef de maatregel opleggen en kan hij ondermandaat verlenen aan de hulpofficier van justitie, doch alleen in spoedeisende gevallen. Deze bevoegdheid laat de bevoegdheid van de ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, Voorschrift Vreemdelingen onverlet. De beroepen zijn ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl