Rb. 's-Gravenhage 11 maart 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5684
Zelfstandige beoordeling 1F bij ongewenstverklaring, verwesterlijking vrouw en kinderen, heropening in verband met een mogelijke schending van de redelijke termijn. Het betreft de beoordeling van de beroepen gericht tegen de afwijzingen van de asielaanvragen van een Afghaanse familie en de beoordeling van het beroep gericht tegen de ongewenstverklaring van eiser 1, wiens asielaanvraag is afgewezen omdat op hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing werd geacht, om welke reden hij ook ongewenst is verklaard. De rechtbank oordeelt dat de ongewenstverklaring een zelfstandige beoordeling vereist van de vraag of artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op de vreemdeling van toepassing is en dat de rechtbank in het onderhavige geval is gehouden om in de eerste plaats - ambtshalve - te beoordelen of eiser 1 nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het laatste asielbesluit naar voren heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de nieuwe verklaringen van verschillende Afghanen over de rol van vader als hoofd van de provinciale politie (Sarandoy) van 1986 tot 1996, als nova moeten worden beschouwd. Desondanks is de toepassing van IF Vluchtelingenverdrag gerechtvaardigd, gelet op eisers eigen verklaringen over zijn werkzaamheden en zijn rol als hooggeplaatste leidinggevende bij de de Sarandoy en de informatie uit het ambtsbericht van september 2002 over de Sarandoy, waaruit blijkt dat de organisatie die zich op grote schaal heeft schuldig gemaakt aan misdaden tegen de menselijkheid. Bij terugkeer naar Afghanistan is er voor eiser geen sprake van onaanvaardbare risico’s als bedoeld in artikel 3 EVRM, omdat hij bescherming kan verkrijgen bij generaal [generaal 2]. Hoewel ten aanzien van zijn dochter sprake is van een objectieve belemmering het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen, is geen sprake van een schending van artikel 8 van het EVRM, vanwege de ernst van de daden van de betrokkene en het belang van Nederland om daartegen op te treden. Ten aanzien van eisers echtgenote oordeelt de rechtbank dat zij reeds in serieuze mate westerse opvattingen en gedrag had in Afghanistan en door een tienjarig verblijf in Nederland zozeer verder verwesterd is dat een aanpassing aan de in Afghanistan geldende normen voor gedrag van vrouwen niet van haar kan worden verlangd. Het besluit van verweerder om eiseres 1 niet met toepassing van artikel 3 van het EVRM verblijf in Nederland toe te staan kan niet in stand kan blijven. Ten aanzien van de weigering verder verblijf toe te staan aan de dochter en de twee jongste zonen oordeelt de rechtbank dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat hun ‘verwestering’ bij terugkeer niet zal moeten leiden tot onaanvaardbare aanpassingen dan wel een risico voor ernstige sancties zal meebrengen. Vanwege het aanmerkelijke tijdsverloop zowel in de bestuurlijke fase alsook in de fase van de rechterlijke afdoening, zal de rechtbank de zaken van zes van de zeven betrokken heropenen voor een beslissing omtrent schadevergoeding in verband met een mogelijke schendig van de redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl