Rb. 's-Gravenhage 8 april 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ2914

Verweerder heeft bepaald dat eiser een vergoeding in de kosten van zijn opvang is verschuldigd voor de peilmaand april 2009 a.d. € 435,34 en dat zal worden overgegaan tot verrekening van dit bedrag met de wekelijkse financiële verstrekkingen. Niet is betwist dat eiser ingeschreven stond in het AZC en dat voor hem woonruimte beschikbaar is gehouden. Aan eiser is hiermee opvang in de vorm van onderdak verstrekt. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat eiser hierom een bedrag van € 196,50 verschuldigd is. De rechtbank kan verweerder niet volgen in de vaststelling dat eiser een bedrag van € 238,84 verschuldigd is in verband met verstrekt zak- en eetgeld. Niet is in geschil dat eiser zelf in zijn onderhoud heeft voorzien, wat wil zeggen dat hij voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven heeft voldaan uit zijn inkomsten uit arbeid. Voorts staat vast dat eiser zelf geen aanspraak heeft gemaakt op de financiële toelage. Verder is onbetwist dat eiser sinds september/oktober 2007, en dus ook in april 2009, niet in het AZC verbleef en aan hem niet wekelijks een financiële toelage is verstrekt. Ten onrechte heeft verweerder vastgesteld dat eiser ter zake van zak- en eetgeld een bedrag van € 238,84 verschuldigd is. Gelet hierop kan het besluit, voor zover dat strekt tot verrekening met de wekelijkse financiële verstrekkingen, evenmin stand houden. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen