Rb. 's-Gravenhage 20 april 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ2338

De rechtbank is het met eiser eens dat artikel 50, vijfde lid, van de Vw 2000 geen grondslag biedt voor het telefonisch contact opnemen met een persoon van wie het telefoonnummer is opgenomen in het elektronische telefoon¬boek van de bij hem aangetroffen mobiele telefoon. Anders dan verweerder betoogt, biedt ook artikel 5:18 van de Algemene wet bestuurs¬recht (Awb) daarvoor geen grondslag. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 50 van de Vw 2000 waarin in het vijfde lid, in aanvulling op artikel 5:18 van de Awb, de bevoegd¬heid wordt gegeven om zaken van de opgehouden persoon te doorzoeken, waarbij gedacht dient te worden aan het doorzoeken van zijn bagage (memorie van toelichting, Kamer¬stukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3), is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid tot onderzoeken dan wel doorzoeken van zaken, aangetroffen in het bezit van de opgehouden vreemdeling, niet tevens kan worden opgevat als een bevoegdheid tot het telefonisch contact opnemen met een persoon van wie het telefoonnummer is opgenomen in het elektronische telefoonboek van de bij de vreemdeling aangetroffen mobiele telefoon. Het enkele uitlezen van de mobiele telefoon kan een middel zijn om informatie te verkrijgen over onder meer de herkomst van de vreemdeling. Het standpunt van verweerder dat het enkele uitlezen van de mobiele telefoon zonder dat tevens telefonisch contact zou mogen worden opgenomen met de personen van wie de telefoonnummers in het elektronische telefoonboek zijn opgenomen zinledig zou zijn kan dan ook door de rechtbank niet worden gevolgd. Nu verweerder tijdens de ophouding telefonisch contact heeft opgenomen met één van eisers contact¬personen zonder dat eiser daarvoor zijn toestemming heeft verleend, is er in strijd met artikel 8 van het EVRM gehandeld. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 maart 2011 (LJN BP9278), alsmede gelet op de door verweerder overgelegde informatie dat het aangekondigde overleg tussen verweerder en de Chinese ambassadeur op 22 maart 2011 heeft plaatsgevonden, waarbij is gesproken over samen¬werking op het gebied van migratie en het belang van terugkeer, is de rechtbank van oordeel dat, voor zover de medewerking van de Chinese autoriteiten daarvoor al is vereist, voorals¬nog voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de mededeling van verweerder dat het overleg op 22 maart 2011 heeft plaatsgevonden en dat daarbij is gesproken over voormelde onderwerpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen