Rb. 's-Gravenhage 14 april 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ1518
Het verblijf van een burger van de Europese Unie kan op grond van artikel 27 van Richtlijn 2004/38 worden beëindigd. Ook bij de ongewenstverklaring van burgers van de Europese Unie wordt ingevolge het beleid van verweerder zoals neergelegd in Vc 2000 A5/6 getoetst aan het criterium van artikel 27 van Richtlijn 2004/38. Het moet gaan om het persoonlijk gedrag van betrokkene en dit gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Verzoeker heeft zich in de periode vanaf 21 januari 2008 tot aan 26 september 2010 veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan het plegen van misdrijven. Verzoeker is in ieder geval 11 keer door de politierechter veroordeeld vanwege winkeldiefstal en eenmaal diefstal in verenging. De opgelegde straffen variëren van één week tot - in een geval - van zes weken gevangenisstraf. Daarnaast is verzoeker in elk geval achtmaal veroordeeld en vijfmaal gedagvaard vanwege openbare dronkenschap. In aanvulling daarop heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat verzoeker op 20 december 2010 opnieuw is gedagvaard voor het plegen van winkeldiefstal. Aldus is voldoende naar voren gekomen dat het gedrag van verzoeker persoonlijk een actuele en werkelijke bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Onweersproken is dat verzoeker de strafbare feiten heeft gepleegd en ook nog vrij recent, zodat daarmee gegeven is dat de bedreiging reëel is en ook actueel. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de bedreiging voldoende ernstig is. Hoewel verweerder er terecht op heeft gewezen dat verzoeker veelvuldig misdrijven heeft gepleegd, heeft verweerder, gezien de aard van deze misdrijven en de terzake door de strafrechter opgelegde straffen, onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat daarmee sprake is van een ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving. Van belang is dat het hier voornamelijk gaat om winkeldiefstallen en de politierechter in de aard en ook de frequentie van de door verzoeker gepleegde misdrijven kennelijk geen aanleiding heeft gezien verzoeker ook in de laatst bekende veroordeling van 28 september 2010 een hogere straf op te leggen dan twee weken gevangenisstraf, waarvan één voorwaardelijk, met daarnaast een geldboete. Overigens is evenmin gebleken dat het Openbaar Ministerie aanleiding heeft gezien om jegens verzoeker een straf te vorderen overeenkomstig de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers (w.o. vordering van de maatregel ISD bij stelselmatige daders) (Stcrt. 2009, nr. 10579), waarin het strafvorderingsbeleid bij stelselmatige daders en overige veelplegers is geregeld. Verwezen wordt naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 maart 2011 (LJN: BP8895). Daarbij in aanmerking genomen dat verblijfsbeëindiging een vergaande inbreuk op een fundamenteel recht betekent, dat diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer, en waarmee terughoudend dient te worden omgegaan, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit in dit opzicht niet deugdelijk is gemotiveerd. Hoewel de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 14 maart 2008 ( LJN: BC7784) heeft geoordeeld dat, gelet op de aard en strekking van een ongewenstverklaring, de getroffen voorziening uitsluitend geacht kan worden te strekken tot tijdelijke schorsing van de mogelijkheid om de vreemdeling uit te zetten, ziet de voorzieningenrechter, in aanmerking genomen het unierechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming, in het onderhavige geval aanleiding het besluit tot ongewenstverklaring van verzoeker te schorsen. Schorsing van het gehele besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl