Rb. 's-Gravenhage 2 maart 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0696
Verweerder heeft aan de hem toekomende discretionaire bevoegdheid tot toekenning van onder meer een bindingspremie per 1 januari 2008 een gewijzigde invulling gegeven met de Nota Financiële instrumenten werving, behoud en dibel van 25 februari 2008. In deze Nota is aangegeven dat bestaande individuele aanspraken zullen worden gerespecteerd. In aanvulling op de Nota Financiële instrumenten werving, behoud en dibel, is met de Nota Aanstellings- en bindingspremies 2009 van 24 februari 2009 ingegaan op de beleidstoepassing van onder meer de bindingspremies voor het jaar 2009 en de uitvoering hiervan door de defensieonderdelen. De bindingspremie wordt op individuele basis toegekend aan personeel dat als schaarse categorie is aangewezen. In bijlage 2 van de Nota van 24 februari 2009 is een overzicht van de schaarse categorieën opgenomen. Er wordt een bindingspremie toegekend aan medewerkers die op 1 januari 2009 werkzaam waren binnen een vastgestelde categorie van schaars personeel, voorzover Defensie groot belang hecht aan behoud van dit personeel. De daarbij gehanteerde criteria zijn: kans op uitstroom, beschikbare alternatieven om uitstroom te voorkomen, wijze van functioneren, voldoen aan militaire en/of functie-eisen en de schaarste aan kennis en kunde. Verweerder heeft terecht als uitgangspunt genomen dat het toekennen van een bindingspremie een besluit is waaraan een individuele beschouwing ten grondslag ligt. Dit managementinstrument wordt ingezet om een medewerker, die werkzaam is binnen een vastgestelde schaarse categorie, te stimuleren een aaneengesloten periode van zijn aanstelling daarvan deel uit te laten blijven maken omdat behoud van diegene voor Defensie van groot belang wordt geacht. Het individuele karakter van het instrument heeft tot gevolg dat per medewerker binnen de betreffende schaarse categorie wordt bezien in hoeverre diegene in aanmerking komt voor een bindingspremie. Dit betekent dat geen sprake kan zijn van een categorale toekenning van een bindingspremie. Nu het eiser in december 2008 bekend was dat hij in 2009 bevorderd zou kunnen worden tot [functie III] als hij een Belangstellingsregistratieformulier zou invullen, hetgeen eiser ook gedaan heeft, kan niet gezegd worden dat eiser in december 2008 niet wist dat hij bevorderd zou kunnen worden. Gelet op de beoordelingsruimte die verweerder toekomt heeft deze dan ook de kans op uitstroom van eiser dusdanig gering mogen achten dat eiser niet in aanmerking komt voor de bindingspremie. Dat eiser na bevordering evengoed had kunnen uitstromen maakt dat niet anders. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl