Rb. 's-Gravenhage 10 maart 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0229

Ten onrechte asielrelaas niet inhoudelijk beoordeeld en wettelijke procedurele bepalingen en geldende waarborgen niet in acht genomen Samenvatting: De conclusie dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert is gebaseerd op de omstandigheid dat het vertrek van eiser om meerdere redenen niet zou zijn ingegeven door asielrelevante motieven. Dit steunt hoofdzakelijk op een proces-verbaal van gehoor van de Koninklijke marechaussee. In de besluitvormingsfase heeft eiser daarvan geen kennis kunnen nemen. Gelet op het doel van het gehoor door de Kmar dat (ook volgens verweerder) is gelegen in de vaststelling van de identiteit, herkomst en reis(route) van de vreemdeling, kan aan eiser niet op grond van dit proces-verbaal worden tegengeworpen dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent zijn beweegredenen voor zijn vertrek uit Afghanistan, dan wel dat zijn vertrek niet is ingegeven door asielgerelateerde motieven. Voorts zijn de wettelijke procedurele bepalingen en geldende waarborgen (artikel 37 Vw 2000) bij dit gehoor niet in acht zijn genomen (bijv. rust- en voorberei-dingstijden en gelegenheid tot indiening van correcties en aanvullingen). Bovendien kunnen tegenstrijdige verklaringen tussen het eerste en het nader gehoor ten aanzien van de asielmotieven niet worden tegengeworpen. Verweerder heeft zijn standpunt dat eisers vertrek uit Afghanistan niet is ingegeven door asielgerelateerde motieven verder gegrond op de argumenten, dat eiser niet om bescher-ming heeft gevraagd aan de autoriteiten van landen waar hij eerder heeft verbleven en dat hij bij binnenkomst in Nederland niet direct om bescherming heeft gevraagd aan de Nederlandse autoriteiten. Deze argumenten komen er op neer dat eiser is tegengeworpen dat hij zonder een geldig grensoverschrijdingsdocument zich niet direct bij binnenkomst in Nederland heeft gemeld en om bescherming heeft gevraagd aan de Nederlandse autoriteiten (artikel 31, tweede lid, onder c, Vw 2000) en dat hij een verblijfsalternatief heeft omdat eiser voorafgaand aan zijn komst naar Nederland heeft verbleven in een ander land dan het land van herkomst (artikel 31, tweede lid, onder j, Vw 2000. Uit de uitspraak van de ABRS van 24 maart 2005 (JV 2005/191) volgt dat verweerder bij de beoordeling of van het asielrelaas positieve overtuigingskracht uitgaat, niet opnieuw en uitsluitend een in artikel 31, tweede lid, Vw 2000 genoemde omstandigheid kan tegenwerpen. Nu verweerder geen aanvullende argumenten heeft gegeven voor zijn standpunt dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen volstaan met het tegenwerpen van omstandigheden die zijn terug te voeren op omstandigheden die in artikel 31, tweede lid, Vw 2000 zijn genoemd. Verweerder heeft eisers asielrelaas ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld. Het besluit is wegens strijd met de artikelen 3:46 en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Het beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen