Rb. 's-Gravenhage 5 april 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0190

Kort geding. Strafrecht. Onrechtmatige overheidsdaad. Eiser vordert gedaagde te verplichten eiser niet langer als vluchtgevaarlijk aan te merken. In dit kort geding dient beoordeeld te worden of het OM in redelijkheid aan zijn advies in het kader van een verlofaanvraag van eiser mede de vluchtgevaarlijkheid ten grondslag mag leggen. Vaststaat dat op 23 april 2010 het OM, afdeling TES, een executie-indicator jegens eiser heeft afgegeven nu hij volgens de betrokken officier van justitie als vluchtgevaarlijk moet worden beschouwd nu hij tien jaar lang heeft getracht om zich aan de tenuitvoerlegging van zijn straf te onttrekken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gedaagde onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vooraankondiging voor het doorlopen van een zelfmeldprocedure van 14 juni 2002 eiser heeft bereikt nu deze naar een ander adres is verzonden dan het adres waarop het vonnis op 21 mei 2002 aan eiser in persoon is betekend. De voorzieningenrechter acht dan ook aannemelijk dat eiser eerst in 2008 nadat een Europees aanhoudingsbevel jegens hem is uitgevaardigd, eiser op de hoogte is geraakt van het verzoek om zich te melden voor de tenuitvoerlegging van zijn straf. Vaststaat dat eiser zich uit eigen beweging heeft gemeld bij de politie. Daarbij komt dat eiser zich kort heeft gemeld voordat de tenuitvoerlegging van zijn straf is verjaard en hij onweersproken heeft gesteld dat hij zich als voorbeeldig gedetineerde gedraagt. Nog daargelaten de vraag of eiser in de afgegeven executie-indicator terecht als vluchtgevaarlijk is aangemerkt, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter tegen de achtergrond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, het OM bij zijn advisering in het kader van verlofaanvragen van eiser in redelijkheid (niet meer) de vluchtgevaarlijkheid aan zijn advies mede ten grondslag liggen. De vordering van eiser wordt toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen