Rb. 's-Gravenhage 21 februari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9658
Annulering visum, artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, rechtmatig verblijf, inbewaringstelling Uit het procesdossier blijkt niet dat het besluit tot annulering van eisers visum middels het standaardformulier naar eiser dan wel eisers gemachtigde is verzonden en evenmin dat het aan eiser in persoon is uitgereikt. Gelet hierop is het besluit niet overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bekendgemaakt. De mondelinge mededeling van verweerder dat eisers visum is geannuleerd is geen schriftelijke beslissing en kan reeds om die reden niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb worden aangemerkt. Nu het besluit tot annulering niet op de voorgeschreven wijze aan eiser bekend is gemaakt, was het besluit, gelet op artikel 3:40 van de Awb, nog niet in werking getreden. Gelet hierop had eiser ten tijde van zijn inbewaringstelling nog rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000. Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel reeds hierom van meet af aan onrechtmatig is geweest.
De uitspraak op rechtspraak.nl