Rb. 's-Gravenhage 25 maart 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9652
Ongewenstverklaring, Afghanistan, KhAd/WAD, artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, arrest HvJEU B. en D. tegen Duitsland van 9 november 2010 Artikel 67 Vw, artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, artikelen 3 en 8 EVRM Samenvatting: Eiser is vanaf 1982 tot 1989/90 werkzaam geweest als officier voor de KhAD/WAD. Niet in geschil is dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser ingeroepen notitie en brieven van de UNHCR geen concreet aanknopingspunt beiden voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000. Het HvJEU heeft in het arrest Duitsland tegen B. en D. van 9 november 2010 (LJN: BO5518) geoordeeld dat het enkele feit dat iemand behoort tot een organisatie waarvan in het algemeen wordt aangenomen dat deze verantwoordelijk kan worden gehouden voor schendingen van artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn danwel artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag niet automatisch een ernstige reden is om aan te nemen dat die persoon een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan of zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties. De eisen die het HvJEU stelt voordat mag worden geconcludeerd tot individuele verantwoordelijkheid bij de betrokken persoon voor de daden die de betrokken organisatie heeft begaan in de periode waarvan hij er lid van was, zijn hoog. Uit dit arrest en in het bijzonder rechtsoverwegingen 96 en 97 volgt dat niet categorisch is uitgesloten dat een verband wordt gelegd tussen de aan een organisatie toe te rekenen daden en het individu, maar wel dat zorgvuldig en geïndividualiseerd moet worden onderzocht wat het verband is. De rechtbank merkt verder op dat de nu voorliggende zaak gaat over tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, aanhef en onder a en b, terwijl het arrest van het HvJEU gaat over tegenwerping van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de Definitierichtlijn, dat de equivalent is van artikel 1(F), aanhef en onder b en c, van het Vluchtelingenverdrag. Voor de betekenis van dat arrest voor het nu voorliggende geval maakt dat niet uit. De beantwoording van de eerste vraag in r.o. 99, tweede aandachtsstreepje, strekt het HvJEU ook nadrukkelijk uit tot het vereiste bewijsniveau in artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn in zijn geheel. Verweerder heeft elke mogelijkheid genomen om te onderzoeken of eiser weet heeft gehad van de mensenrechtenschendingen die door de KhAD/WAD hebben plaatsgevonden. Eiser heeft elke mogelijkheid gehad om nar voren te brengen wat hem zou kunnen ontlasten van de claim dat hij kennis had van de relevante mensenrechtenschendingen. Verweerder heeft in dit geval de feiten voldoende zorgvuldig onderzocht en zijn conclusie dat er bij eiser “knowing and personal participation” was deugdelijk gemotiveerd en in dat verband ook - kortgezegd - voldoende geïndividualiseerd. De rechtbank is van oordeel dat die beoordeling door verweerder de toets aan de eisen van het arrest van het HvJEU van 9 november 2010 kan doorstaan. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl