Rb. 's-Gravenhage 23 maart 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP8841

Paspoort, afgeven en opslag vingerafdrukken, 8 EVRM, omvang van het geding. De omvang van het geding wordt beperkt door de rechtsgevolgen die de aanvraag van een paspoort en het daarop te nemen besluit maximaal kunnen hebben. Daarbij is van belang dat een belangrijk deel van de wetgeving die eiseres bestrijdt nog niet in werking is getreden. De door eiseres genoemde verstrekking aan derden, zoals de officier van justitie en de AIVD, is niet aan de orde. Dit betreft het nog niet in werking getreden deel van de Paspoortwet, artikel 4b. Dit geldt eveneens voor de opname van vingerafdrukken in een nationaal, centraal administratiesysteem, nu ook dit ingevolge artikel 65, derde lid, van de Paspoortwet afhankelijk gesteld is van de inwerkingtreding van onderdelen die thans nog geen werking hebben. Aangezien de aanvraag van eiseres niet kan leiden tot deze gevolgen valt de toetsing ervan buiten de omvang van het geding. De onderdelen van het beroep die op deze wetsonderdelen zien zal de rechtbank buiten bespreking laten. Wanneer het desbetreffende wettelijke kader in werking is getreden kan eiseres verweerder alsnog verzoeken haar vingerafdrukken te verwijderen, tegen de weigering waarvan dan rechtsmiddelen openstaan. De rechtbank is van oordeel dat de nationale wetgever met de beperking van het recht op privéleven door de decentrale opslag en het gebruik van vingerafdrukken van burgers zoals vastgelegd in het thans van toepassing zijnde wettelijke kader, niet buiten de grenzen van haar beoordelingsvrijheid is getreden en dat geen sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank heeft eiseres evenmin gevolgd in haar stelling dat de nationale regeling in strijd is met de Verordening, omdat de Verordening zelf slechts de opname van twee afdrukken in een paspoort voorschrijft. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de Verordening ruimte laat voor de lidstaten tot ruimer gebruik van vingerafdrukken dan in de Verordening zelf is bepaald. In overweging 5 van Verordening nr. 444/2009, tot wijziging van Verordening 2252/2004 is, voor zover hier van belang, bepaald dat de Verordening ander gebruik of andere opslag van de gegevens overeenkomstig de nationale wetgeving van de lidstaten onverlet laat. De Verordening (EG) nr. 2252/2004 voorziet niet in een rechtsgrondslag voor het opzetten of bijhouden van gegevensbanken voor de opslag van deze gegevens in de lidstaten; dat is een louter nationale aangelegenheid. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen