Rb. 's-Gravenhage 19 januari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5352

Artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, inschrijving in de basisvoorziening vreemdelingen (BVV) volgens B10/2.5.2. van de Vc Het geschil betreft de inschrijving als gemeenschapsonderdaan in de BVV. Eiseres voert aan dat verweerder als ingangsdatum van rechtmatig verblijf ten onrechte heeft aangehouden de inschrijvingsdatum in het BVV. Eiseres had al eerder rechtmatig verblijf. Door andere overheidsinstanties wordt de inschrijving in de BVV gehanteerd als ingangsdatum van rechtmatig verblijf. Dit heeft onder andere gevolgen voor de datum waarop een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene kan worden aangevraagd en voor de toekomstige toekenning van een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, aldus eiseres. Verweerder heeft daar tegenin gebracht dat andere overheidsinstanties een eigen verantwoordelijkheid hebben om het verblijfsrecht van een betrokkene te toetsen aan het Gemeenschapsrecht om te bepalen vanaf welke datum sprake is van rechtmatig verblijf. Deze instanties zijn daarbij niet gebonden aan de datum van inschrijving in de BVV. De rechtbank stelt vast dat eiseres dit niet heeft betwist. Bovendien heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld dat zij als Hongaarse niet zou kunnen aantonen vanaf welke datum zij rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Derhalve is door eiseres onvoldoende gemotiveerd dat de datum van de inschrijving in de BVV de door haar gestelde gevolgen heeft.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen