Rb. 's-Gravenhage 21 februari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5123
Niet-nakoming door de Staat van verplichting jegens de Gemeente Zutphen om tot nieuwbouw ten behoeve van het arrondissementsparket over te gaan, wegens verhuizing van het parket Zutphen naar Arnhem. De verhuizing is niet in strijd met artikel 134 lid 2 RO, aangezien de hoofdofficier en zijn staf gevestigd blijven in Zutphen, zolang de wet dat vereist. Er is sprake van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 lid 1 BW. Inzichten die thans leiden tot verhuizing van het parket hadden zich nog niet ontwikkeld ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Op dit moment is sprake van een wezenlijk andere situatie dan destijds. Niet aannemelijk is dat de Staat bij het aangaan van de overeenkomst al rekening heeft kunnen en moeten houden met de gewijzigde inzichten en ontwikkelingen voor wat betreft de inrichting van de rechterlijke organisatie die nopen tot een beleidswijziging met betrekking tot de vestigingsplaatsen van bepaalde parketten. Daarvan uitgaande en gelet op (i) de aard van de overeenkomst, (ii) de aard van de overheidstaak op de uitoefening waarvan de Staat zich beroept en (iii) de aard en gewicht van de maatschappelijke belangen die met de beleidswijziging zijn gediend, wordt geoordeeld dat de onvoorziene omstandigheden de niet-nakoming door de Staat van zijn verplichtingen jegens de Gemeente rechtvaardigen. Te minder nu de Staat heeft aangeboden de Gemeente te compenseren voor de door haar geleden schade.
De uitspraak op rechtspraak.nl