Rb. 's-Gravenhage 21 januari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1937

Bewaring, Terugkeerrichtlijn, 'verlengingsbesluit', relatie met belangenafweging in M120, belangenafwegingdatering afhankelijk van uitdraai M120, Kadzoev arrest en belangenafweging (artikel 15, vierde lid, Terugkeerrichtlijn) Samenvatting: Naar het oordeel van de rechtbank bevatten het vijfde en zesde lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn onvoorwaardelijke en nauwkeurig bepaalde normen over de maximale duur van de vreemdelingenbewaring, zodat deze artikelleden vanaf 25 december 2010 door eiser kunnen worden ingeroepen tegenover verweerder. Richtlijnconforme toepassing van artikel 59 van de Vw 2000 heeft tot gevolg dat een bewaring op grond van artikel 59 van de Vw 2000 maximaal 18 maanden rechtmatig kan voortduren, waarbij na zes maanden een afweging moet worden gemaakt of verlenging in het licht van artikel 15, zesde lid, Terugkeerrichtlijn gerechtvaardigd is. Het ‘besluit inzake de verlenging van de bewaringstermijn’ is naar het oordeel van de rechtbank niet gericht op enig rechtsgevolg nu aan de aan eiser opgelegde bewaring geen termijn was gebonden en deze dus ook zonder verlengingsbeslissing was blijven voortduren. Het zogenoemde verlengingsbesluit is dan ook niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Gezien het voorgaande behelst het zogenoemde verlengingsbesluit d.d. 15 december 2010 naar het oordeel van de rechtbank derhalve niets meer dan een kenbare verlengingsmededeling met een daarbij horende belangenafweging. Deze belangenafweging kan naarmate de inbewaringstelling voortduurt op enig moment worden bevestigd dan wel worden bijgesteld. Voorts merkt de rechtbank op dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat verweerder tot deze beslissing en belangenafweging is gekomen middels de brief van 15 december 2010 alvorens de implementatietijd van de Terugkeerrichtlijn was verstreken. Eerst op 15 december 2010 heeft verweerder middels het verlengingsbesluit een kenbare beslissing genomen om de bewaring, die op 12 november 2010 zes maanden duurde met 12 maanden te verlengen. Daarnaast heeft verweerder in de M120 op 27 december 2010 een belangenafweging gemaakt. Op 17 januari 2011 heeft verweerder ter zitting desgevraagd betoogd dat dit niet betekent dat op 12 november 2010 geen belangenafweging is gemaakt. Het systeem van DT&V is echter zo dat wanneer een M120 wordt uitgedraaid naar aanleiding van een (vervolg)beroep, de datum van de belangenafweging wordt gesteld op de datum van de uitdraai. Nu namens eiser eerst op 23 december 2010 een vervolgberoep is ingesteld, is de belangenafweging op 27 december 2010 gesteld. Verweerder heeft toegezegd er op toe te zien dat dit systeem bij DT&V wordt gewijzigd. Verweerder heeft voorts aangegeven dat op 15 december 2010 het zogenoemde verlengingsbesluit is uitgegaan teneinde op tijd te voldoen aan de Terugkeerrichtlijn. Hoewel de rechtbank met eiser van oordeel is dat verweerder zorgvuldiger had kunnen handelen, is de rechtbank niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad, nu de belangenafwegingen d.d. 15 december 2010, 27 december 2010 en 13 januari 2011 dezelfde inhoud dan wel strekking hebben en verweerder heeft aangegeven dat deze belangenafwegingen niet afwijken van de (niet-kenbaar gemaakte) belangenafweging op 12 november 2010. Eiser heeft verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht van 30 december 2010, Awb 10/43772, LJN: B0 9408. In de betreffende uitspraak is verwezen naar het arrest van 30 november 2009 (JV 2010/30) van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Hof). De rechtbank onderschrijft de overweging dat de uitleg van artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn door het Hof een andere toetsingsmaatstaf inhoudt dan de tot nu toe volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling te hanteren toetsingsmaatstaf of zicht op uitzetting binnen een redelijke temrijn ontbreekt. Dit verschil richt zich naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser betoogt, slechts op de zinsnede dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat wanneer het weinig waarschijnlijk lijkt dat de betrokkene gezien de termijnen in een derde land wordt opgevangen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen