Rb. 's-Gravenhage 17 januari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1504
Bewaring/ Terugkeerrichtlijn (Tri) / Verlengingsbesluit / besluit Samenvatting: De rechtbank overweegt ambtshalve dat - hoewel artikel 15, zesde lid, van de Tri geen verlengingsbesluit voorschrijft – indien een dergelijk besluit wordt genomen, dit als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt. (...) Gelet op de samenhang met artikel 96 van de Vw 2000 en het feit dat het verlengingsbesluit enkel gevolgen heeft voor het voortduren van de bewaringsmaatregel is de rechtbank van oordeel dat terecht niet eerst bezwaar is gemaakt tegen het verlengingsbesluit. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat het verlengingsbesluit is gebaseerd op artikel 59 van de Vw 2000. De rechtbank overweegt dat in het verlengingsbesluit staat vermeld dat, gelet op het bepaalde in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Tri, aanleiding wordt gezien de termijn van bewaring met 12 maanden te verlengen. Hieruit lijkt te volgen dat verweerder het besluit op voornoemde bepalingen heeft gebaseerd. Er is dan ook in zoverre sprake van een motiveringsgebrek en het bestreden besluit moet op die grond worden vernietigd. De rechtbank zal zich hierna evenwel buigen over de vraag of er gronden zijn om de rechtsgevolgen van het verlengingsbesluit in stand te laten. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat vooralsnog geen wetgeving ter implementatie van de Tri is tot stand gekomen. Dit betekent evenwel nog niet dat de bewaringsmaatregel niet langer dan zes maanden zou mogen duren. Immers, een implementatiewet is niet noodzakelijk indien de bestaande nationale wetgeving, door de rechtbank opgevat in materiële zin, volstaat. De regievoerder van de DT&V is in artikel 5.3 van het VV 2000 aangewezen als degene die, de belangen afwegend, kan besluiten om de bewaring die op grond van artikel 59 van de Vw 2000 is opgelegd op te heffen, hetgeen inhoudt dat hij ook kan besluiten hiervan af te zien en derhalve de bewaring te laten voortduren. Naar het oordeel van de rechtbank dient de toetsing van de motivering van verweerder voor de voortzetting van de bewaring te bestaan in de beantwoording van de vraag of - richtlijnconform toetsend - aan de voorwaarden van artikel 15, zesde lid, van de Tri is voldaan. De rechtbank neemt daarbij tot uitgangspunt het arrest van het Hof van Justitie inzake Kolpinghuis Nijmegen B.V. van 8 oktober 1987. De vraag welk relatief gewicht moet worden toegekend aan de omstandigheden die door verweerder, gelet op het bepaalde in 15, zesde lid, onder a of b van de Tri, ter onderbouwing van de verlenging zijn aangevoerd gedurende die 12 maanden, met het oog op de vraag of de voortduring in het kader van de doorlopende belangenafweging nog immer gerechtvaardigd is, komt aan de orde bij een beroep dat is ingesteld op grond van artikel 96 van de Vw 2000. Nu eiser niet heeft betwist dat in zijn zaak sprake is van omstandigheden, genoemd in artikel 15, zesde lid, onder a of b van de Tri, zal de rechtbank zich, gelet op het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, hierover niet uitlaten. De rechtbank is van oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Zij overweegt daartoe dat het bestreden besluit berust op een wettelijke grondslag, zij het dat die ten onrechte niet in dat besluit is vermeld.
De uitspraak op rechtspraak.nl