Rb. 's-Gravenhage 6 januari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP0109
Voor het voortduren van de bewaring na 6 maanden is na de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn een wettelijke bepaling in de nationale wetgeving vereist die daarop ziet. De rechtbank is van oordeel dat sinds het verstrijken van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn (24 december 2010) de bewaringsduur maximaal zes maanden mag bedragen. Weliswaar biedt de Terugkeerrichtlijn de mogelijkheid de bewaring met twaalf maanden te verlengen, doch daarvoor is vereist dat dit in de nationale wetgeving is geregeld, hetgeen niet het geval is. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de bevoegdheidsgrondslag voor de verlenging zou zijn gelegen in artikel 59 van de Vw 2000. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder aan dit artikel weliswaar de bevoegdheid ontleent tot het opleggen en het laten voorduren van de bewaring, doch dat deze bepaling sinds de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn echter geen wettelijke grondslag (meer) biedt voor het laten voortduren van de bewaring na zes maanden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat voor de omzetting van een richtlijn in nationaal recht weliswaar niet noodzakelijkerwijs vereist is dat de bepalingen ervan formeel en letterlijk in een uitdrukkelijke, specifieke wettelijke bepaling worden overgenomen, echter juist bij een Richtlijn als de Terugkeerrichtlijn en in het bijzonder de bepalingen omtrent inbewaringstelling met het oog op verwijdering is naar het oordeel van de rechtbank een specifieke omzetting geboden, aangezien blijkens de considerans van de Terugkeerrichtlijn die inbewaringstelling moet worden beperkt en, uit het oogpunt van de gebruikte middelen en nagestreefde doelstellingen, aan het evenredigheidsbeginsel worden onderworpen. Dat evenredigheidsbeginsel vindt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel zijn neerslag in het vijfde lid van de Terugkeerrrichtlijn waarin om die reden een maximale bewaringstermijn is opgenomen. In de mogelijkheid tot het maken van een uitzondering op die maximale termijn voorziet vervolgens het zesde lid echter mits dit nationaalrechtelijk wordt geregeld. De Nederlandse wetgeving kent thans geen bepaling die in dit verband als toereikende omzettingsmaatregel kan worden beschouwd.
De uitspraak op rechtspraak.nl