Rb. 's-Gravenhage 24 september 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BX1576

Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2007/11 (WBV 2007/11/Pardonregeling). Aan moeder is, met vrijstelling van het paspoortvereiste, een verblijfsvergunning op grond van de Pardonregeling verleend. Geldt paspoortvereiste op grond van Pardonregeling voor haar kind dat voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit beleid in Nederland is verwekt, maar daarna is geboren? De zaak betreft de uitlegging van de tweede volzin van de eerste alinea van paragraaf 5.7 van de Pardonregeling. Op grond van een taalkundige ontleding komt de rechtbank tot het voorlopige oordeel dat op grond van het beleid verblijf toegestaan aan: - gezinsleden die uiterlijk op 13 december 2006 Nederland zijn ingereisd en voor zover de gezinsband reeds bestond voor de komst van de hoofdpersoon naar Nederland en - in Nederland geboren kinderen. De rechtbank heeft de zaak heropend. Zij heeft daarbij als haar voorlopig oordeel gegeven dat uit de tot dan toe door verweerder aangehaalde documenten, voornamelijk kamerstukken, niet kan worden afgeleid dat het de uitdrukkelijke bedoeling van verweerder is geweest om na 13 december 2006 in Nederland geboren kinderen van vreemdelingen, aan wie op grond van de Pardonregeling verblijf wordt toegestaan, niet onder die regeling te brengen. De rechtbank heeft, met inachtneming van de nadere beantwoording door verweerder, geoordeeld dat, wat verweerder naar voren heeft gebracht, niet als een redelijke uitleg van het beleid kan worden aangemerkt. Verweerders stelling dat het zijn bevoegdheid is om beleidsregels vast te stellen en het dus ook aan hem is om uitleg te geven aan die beleidsregels, vormt geen adequate beantwoording van de door de rechtbank gestelde vraag, waar de rechtbank juist de redelijke uitleg van dit beleid als voorwerp van haar vragen heeft genomen, gezien de ook in de praktijk gerezen vragen over de toepasselijkheid van dit beleid op na 13 december 2006 in Nederland geboren kinderen. Verweerder heeft niet weersproken dat niet valt te verwachten dat in de door de Immigratie- en naturalisatiedienst aan de hand gedane praktische oplossingen en de brieven van het Rijk en de VNG over de te volgen handelwijze een antwoord op de gestelde vraag wordt gegeven. Gegevens daarover heeft verweerder, alhoewel daarvoor ruimschoots de tijd heeft bestaan, niet aan de rechtbank overgelegd. Juist de omstandigheid dat in voorkomende gevallen door de Immigratie- en naturalisatiedienst praktische oplossingen aan de hand zijn gedaan, rechtvaardigt de conclusie dat verweerder, bij de formulering van het beleid, niet uitdrukkelijk heeft beoogd om alle na 13 december 2006 in Nederland geboren kinderen buiten het toepassingsbereik van de Pardonregeling te houden. Voorstelbaar is weliswaar dat niet is beoogd om een in tijd onbeperkte mogelijkheid te bieden om aan op 13 december 2006 nog niet geboren kinderen verblijf toe te staan. De rechtbank is er echter niet van overtuigd geraakt dat verweerder ook kinderen heeft willen uitsluiten die op die datum reeds waren verwekt, maar waarvan de geboorte daarna heeft plaatsgevonden, zoals in het geval van eiseres.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen