Rb. 's-Gravenhage 19 maart 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BP9750
Eiser kan geen rechten ontlenen aan artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 nu hij een arbeidsovereenkomst voor één jaar had, tot 1 september 2003, en gesteld noch gebleken is deze werkgever na 1 september 2003 nog voortgezette werkgelegenheid had voor eiser. Evenmin is gebleken dat eiser op basis van de nadien verrichte werkzaamheden een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80. Ten aanzien van eisers stelling dat hem, gelet op de onvrijwillige werkloosheid als bedoeld in het tweede lid van artikel 6 van besluit nr. 1/80 verblijfsrecht toekomt, overweegt de rechtbank dat hiermee is beoogd te garanderen dat perioden waarin de legale arbeid wordt onderbroken wegens onvrijwillige werkloosheid of langdurige ziekte, geen afbreuk doen aan de rechten die de Turkse werknemer reeds heeft verworven uit hoofde van eerder vervulde tijdvakken van arbeid, welke een vaste duur hebben zoals in de drie onderdelen van het eerste lid van artikel 6 is vastgelegd. Het tweede lid van artikel 6 van besluit nr. 1/80 is derhalve eerst van belang indien sprake is van inbreuk op een op de voet van het eerste lid, eerste streepje, van dat artikel verkregen recht. Nu eiser geen rechten heeft verkregen op de voet van artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80, is het tweede lid niet op hem van toepassing.
De uitspraak op rechtspraak.nl