Rb. 's-Gravenhage 15 september 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BP5676

Verdachte en zijn medeverdachten zijn op 6 april 210 het terrein van de ambassade van Iran in Den Haag binnengedrongen. Onder feit 1 primair wordt verdachte verweten dat hij op 6 april 2010 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk geweld heeft gepleegd tegen de beschermde goederen van de internationaal beschermde ambassadeur van Iran in Nederland. Subsidiair wordt hem verweten dat hij openlijk geweld heeft gepleegd, meer subsidiair vernieling in vereniging. Onder feit 2 wordt verdachte verweten dat hij huisvredebreuk heeft gepleegd. Onder feit 3 wordt verdachte verweten dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. Vrijspraak van het bij dagvaarding onder 1 primair ten laste gelegde (het voor de vervulling van de delictsomschrijving van art. 117b Sr vereiste gevolg heeft zich niet voorgedaan) en van het onder 3 ten laste gelegde (uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat bij de voorgeleiding van de verdachte aan de hulpofficier van justitie een vordering is gedaan om een identiteitsbewijs te tonen). Wettig en overtuigend bewezen: de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten. Het bewezen verklaarde levert op: feit 1 subsidiair: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen; feit 2: In het besloten erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen en, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen. Gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met aftrek, voorwaardelijk, proeftijd van 2 jaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen