Rb. 's-Gravenhage 13 december 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BP1792

Mondeling verzoek tot wraking rechters in belastingzaken. De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden geven geen grond te vrezen dat het voornoemde rechters aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van hen de schijn van partijdigheid gewekt. De beslissingen om een zaak ter zitting te gaan behandelen, ter zake van een eventuele verdaging van de zitting en tot het sluiten van het onderzoek en het bepalen van een datum voor de uitspraak behoren tot de bevoegdheid van de (belasting)rechter. Een in de ogen van verzoekster genomen onjuiste processuele beslissing kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de rechters partijdig zijn of de schijn van partijdigheid hebben opgeroepen. Met betrekking tot de in de brief van 10 november 2010 neergelegde grief overweegt de rechtbank (wrakingskamer) dat uit paragraaf 6.1 van het Wrakingsprotocol Rechtbank ’s-Gravenhage volgt dat wanneer om wraking wordt verzocht tijdens de zitting van een meervoudige kamer, de voorzitter van deze kamer vraagt om opgave van alle feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot het wrakingsverzoek. De zittingsgriffier legt een en ander vast in een proces-verbaal, dat wordt getekend door de voorzitter van de meervoudige kamer en de zittingsgriffier. In deze paragraaf is verwezen naar noot 15. In noot 15 is vermeld dat het proces verbaal bij voorkeur terstond wordt opgemaakt en voorgelezen, daarna ondertekend. Dit voorkomt verschil van mening over de gronden van het wrakingsverzoek. De rechtbank (wrakingskamer) overweegt dat, hoewel het gestelde in noot 15 niet dwingend van aard is, het in het algemeen de voorkeur verdient daaraan gevolg te geven Uit de omstandigheid dat de rechters er voor hebben gekozen het betreffende proces-verbaal niet te laten voorlezen, volgt echter niet dat grond bestaat voor de gerechtvaardigde vrees dat het de rechters aan onpartijdigheid ontbreekt. Verzoek tot wraking afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen