Rb. 's-Gravenhage 18 november 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BP1452

Nederland heeft bezwaar gemaakt tegen de toetreding van Armenië tot het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (Haags adoptieverdrag), zodat dit verdrag niet geldt tussen Nederland en Armenië en de adoptie niet ingevolge dit verdrag en de daarop gebaseerde bepalingen kan worden erkend in Nederland. Aan de voorwaarden die de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) stelt voor adoptie kan niet worden voldaan vanwege de leeftijd van eiseres en het leeftijdsverschil tussen eiseres en de minderjarige, zodat erkenning van de adoptie op grond van de Wet conflictenrecht adoptie (Wca) niet mogelijk is. Het beroep van eiseres op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingrichtlijn) wordt verworpen. Dit artikel vereist dat de gezinshereniger het gezag over de kinderen/het kind heeft. Nu de adoptie van de minderjarige naar Armeens recht niet in Nederland is erkend, kan naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet worden gesteld dat de minderjarige onder gezag staat van eiseres. Geconcludeerd moet dan ook worden dat, ook al heeft eiseres naar Armeens recht het gezag over de minderjarige, artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van Richtlijn 2003/86/EG in het onderhavige geval niet van toepassing is, omdat het gezag naar Nederlands recht moet worden beoordeeld. Nu Richtlijn 2003/86/EG niet op de minderjarige van toepassing is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of artikel 3.26 van het Vb 2000 in strijd is met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van Richtlijn 2003/86/EG. In het kader van het beroep van eiseres op de artikelen 8 en 14 van het EVRM heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte onderscheid maakt tussen adoptiefkinderen en biologische kinderen door voor wat betreft de toelating van wettige adoptiefkinderen andere voorwaarden te hanteren dan voor de toelating van biologische kinderen. In de door eiseres aangehaalde arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 juli 2004 (Pla en Pucernau tegen Andorra, LJN AR3615) en van 13 juni 1979 (Marckx tegen België, LJN AC3090) zijn geen aanknopingspunten te vinden voor verblijfsrechtelijke vraagstukken op het gebied van adoptiefkinderen en biologische kinderen, noch kan hieruit een verplichting worden afgeleid voor de Staat om tot erkenning van een buitenlandse adoptie over te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van ongelijke behandeling in de zin van artikel 14 van het EVRM, nu een niet erkend adoptiefkind niet kan worden gelijkgesteld met een biologisch kind. Hierbij wijst de rechtbank erop dat eiseres niet anders wordt behandeld dan andere vreemdelingen en Nederlanders die hier te lande verblijven en die een adoptiefkind willen opnemen, maar niet voldoen aan de voorwaarden van de Wobka.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen