Rb. 's-Gravenhage 23 december 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BP0579

Het (thans) bestreden besluit betreft een met een eerder onherroepelijk besluit materieel vergelijkbaar besluit, n.l. de afwijzing van een aanvraag om voortgezet verblijf na een B9-vergunning. Er is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, omdat eiseres heeft aangevoerd na het eerdere besluit tweemaal te zijn belaagd door handlangers van haar mensenhandelaren (en daarvan aangifte heeft gedaan). Verweerder heeft de onderhavige aanvraag mogen beoordelen als een aanvraag om eerste toelating, nu deze meer dan drie jaar nadat de geldigheid van de aan eiseres verleende B9-vergunning is geëindigd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de opgebouwde banden van de (in 2004 geboren) dochter van eiseres met Nederland ontoereikend heeft kunnen achten om bij tegenwerping van het mvv-vereiste aan eiseres een schending van artikel 8 EVRM (privé-leven) van de dochter aan te nemen. Verweerder heeft voorts in redelijkheid geen vrijstelling het mvv-vereiste behoeven te verlenen o.g.v. de hardheidsclausule. Verweerder heeft in dit verband kunnen overwegen dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres te vrezen heeft van de mensenhandelaren in Nigeria. Verweerder heeft voorts in aanmerking kunnen nemen dat eiseres zich in Nigeria ter bescherming en opvang kan wenden tot NAPTIP, opgericht door de Nigeriaanse overheid om (potentiële) slachtoffers van mensenhandel op te vangen, te beschermen tegen mensenhandelaren en te helpen met re-integratie in de samenleving. Tenslotte heeft verweerder niet aannemelijk kunnen achten dat eiseres te vrezen heeft voor de gedwongen besnijdenis van haar dochter. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen