Rb. 's-Gravenhage 24 december 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO8867
Bewaring / handboeien / vluchtgevaar / Ambtsinstructie / belangenafweging In dit geval was eiser geboeid toen hij in het kader van artikel 50, tweede of derde lid, van de Vw van zijn vrijheid was beroofd. De rechtbank is van oordeel dat, nu uit het proces-verbaal blijkt dat eiser zich aan het toezicht probeerde te onttrekken door zich te verstoppen in een bestelbus, voldoende blijkt dat vluchtgevaar aanwezig was. Gelet hierop mocht verweerder naar het oordeel van rechtbank handboeien aanleggen om te voorkomen dat eiser zich aan het verdere onderzoek zou onttrekken. De rechtbank stelt vast dat verbalisanten in strijd met artikel 23 van de Ambtinstructie niet onverwijld aan hun meerdere de redenen hebben meegedeeld, die hebben geleid tot het gebruik van handboeien. Een dergelijk gebrek dat kleeft aan de overbrenging, via welke eiser in de macht van de tot inbewaringstelling en uitzetting bevoegde autoriteiten is gebracht, maakt de daarop aansluitende bewaring slechts onrechtmatig, indien de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Van die onevenwichtigheid is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Vaststaat dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn, dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en dat hij zich niet heeft gemeld bij de korpschef. Gelet op het voorgaande en gelet op de korte duur dat de handboeien zijn aangebracht leidt het achterwege laten van een schriftelijke mededeling aan de meerdere van de verbalisanten niet tot de onrechtmatigheid van eisers inbewaringstelling.
De uitspraak op rechtspraak.nl