Rb. 's-Gravenhage 18 november 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO7499

Grensdetentie, minderjarige kinderen, voortzetting maatregel in DTC Rotterdam, artikel 5 lid 1 onder f EVRM Verweerder heeft besloten de grensdetentie van een gezin van asielzoekers, bestaande uit vader, moeder en drie kinderen van respectievelijk vijftien, elf en twee jaar oud, na afwijzing van hun asielaanvragen voort te zetten in DTC Rotterdam. Hoewel in het DTC Rotterdam enige aanpassingen zijn gedaan voor het verblijf van minderjarige asielzoekers, dient het verblijf aldaar, gelet op de onmiskenbaar aanwezige penitentiaire elementen tot een zo kort mogelijke periode beperkt te blijven en dient deze periode, nu het minderjarigen betreft, in duur ook voorzienbaar te zijn. De rechtbank ziet aanleiding om in dit verband aansluiting te zoeken bij de door verweerder in paragraaf C12/2.7 van de Vc 2000, ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen die geen asielprocedure hebben lopen, gehanteerde duur van maximaal twee weken. In het onderhavige geval was er geen sprake van een dergelijke korte, en in duur voorzienbare periode. Voorts is de beslissing tot voortzetting van de detentie na de afwijzing van de asielaanvraag niet te goeder trouw genomen. De voortduring van de bewaring van de kinderen was dan ook willekeurig als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen