Rb. 's-Gravenhage 7 december 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO7249
Dublin, Griekenland Overdrachtstermijn, nova Volgens de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 29 januari 2009 (inzake Petrosian, nr. C-19/08) moet artikel 20 lid 1, sub d, en lid 2, Verordening, aldus worden uitgelegd dat, wanneer de wettelijke regeling van de verzoekende lidstaat voorziet in opschortende werking van een beroep, de termijn voor tenuitvoerlegging van de overdracht niet reeds aanvangt met de voorlopige beslissing van de rechter om het in gang zetten van de overdrachtsprocedure op te schorten, maar pas met de beslissing van de rechter over de gegrondheid van de procedure, die aan het in gang zetten van de overdracht niet meer in de weg kan staan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de thans aangevoerde rapporten concrete aanknopingspunten geven voor twijfel dat Griekenland jegens verzoeker zijn aan het Vluchtelingenverdrag en het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ontleende verplichting hem niet te refouleren, zal naleven. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 6 mei 2010 (LJN: BM3619). Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, nu sprake is van rechtens relevante nova, de aanvraag ten onrechte afgedaan op grond van artikel 4:6 Awb en heeft niet zonder nader onderzoek kunnen volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De uitspraak op rechtspraak.nl