Rb. 's-Gravenhage 26 november 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5107

Kort geding van diverse personen (vijf individuele eisers en de Stichting Landelijk Beraad Marokkanen) tegen de Staat der Nederlanden over het optreden van het openbaar ministerie (OM) in de strafzaak tegen Geert Wilders. Eisers vorderen ten eerste de vervanging van de officieren van justitie, ten tweede dat de dagvaarding in de strafzaak wordt aangevuld met diverse passages uit de beschikking van het hof en ten derde dat het OM wordt bevolen in het requisitoir van de officieren in de strafzaak beter aan te sluiten bij de beschikking van het hof. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen. Ten aanzien van het eerste onderdeel heeft hij overwogen dat het OM “een en ondeelbaar” is. Een officier draagt niet zijn of haar persoonlijke standpunt uit, maar het standpunt van het OM. Overigens is het niet aan de rechter om te bepalen wie binnen het OM met bepaalde taken wordt belast. Het tweede onderdeel van de vordering wordt afgewezen omdat het niet tot de taak van de civiele rechter behoort om een opdracht aan het OM tot het formuleren van de dagvaarding in een strafzaak te geven. Alleen een gerechtshof is, na een beklag op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, bevoegd tot het bevelen van de vervolging. Aan het in deze zaak gegeven bevel heeft het OM in strikte zin voldaan. Een bevel zoals de eisers wensen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter overigens ook niet nodig om te bewerkstelligen wat zij willen, namelijk dat de strafrechter rekening houdt met alle gronden waarop het hof het vervolgingsbevel heeft gebaseerd. Dat kan de strafrechter immers doen ook als het OM op de zitting tot een andere afweging komt. De strafrechter is niet aan de zienswijze van het OM gebonden. Om deze zelfde reden slaagt ook het derde onderdeel van de vordering niet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen