Rb. 's-Gravenhage 18 november 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4695
verzoek vergoeding materiële en immateriële schade ivm duur asielprocedure / afwijzing verzoek / niet voldaan aan relativiteitsvereiste / geen overschrijding redelijke termijn Het recht op inkomen, waaronder voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen ontstaat volgens de Afdeling pas na een beoordeling op grond van de wetten en overige regels waarin is bepaald wie en onder welke voorwaarden – waaronder rechtmatig verblijf – daarop aanspraak kan maken. Deze lijn is inmiddels vaste jurisprudentie Ondanks de duur van de asielprocedure en de omstandigheid dat hij in vreemdelingenbewaring heeft verkeerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich, wat betreft eisers verzoek om materiële schadevergoeding, op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan. Een geschil in een zaak als deze ontstaat als afwijzend op een aanvraag wordt beslist en daartegen beroep wordt ingesteld, omdat eerst dan sprake is van een in een besluit vastgelegd standpunt waartegen de vreemdeling kan opkomen. De rechtbank wijst er in dit verband nog op het systeem van rechtsbescherming zodanig is ingericht dat de vreemdeling na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn de mogelijkheid heeft om beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag en daarmee een handvat heeft om het moment van aanvang van de redelijke termijn te bespoedigen. Dit betekent dat in asielzaken de redelijke termijn aanvangt op het moment waarop door de vreemdeling beroep is ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag. Een behandelingsduur van ten hoogste vier jaar, waarvan twee jaar voor de behandeling van het beroep wordt in beginsel redelijk geacht. In de onderhavige zaak heeft eiser op 24 september 2004 beroep ingesteld, gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag. Dit beroep, zo blijkt uit de aanvullende gronden bij het beroepschrift van 31 januari 2005, moet geacht worden mede te zijn gericht tegen het (reële) besluit van verweerder van 30 december 2004. Het geschil is beëindigd met inwilliging van eisers asielaanvraag op 10 april 2006. Tussen deze tijdstippen is een periode van 1 jaar, 6 maanden en 17 dagen verstreken. De rechtbank stelt vast dat in dit geval geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl