Rb. 's-Gravenhage 15 juli 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4152
Voorlopige voorziening. Verzoeker is ongewenst verklaard in Nederland en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verzoeker wil uitzetting voorkomen, totdat over zijn bezwaar is beslist. Hij stelt dat er sprake is van ‘family life’ tussen hem en zijn biologische zoon. De voorzieningenrechter is op basis van de nu voorhanden zijnde gegevens van oordeel dat tussen verzoeker en zoon sprake is van ‘family life’ in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daarnaast moet worden aangenomen dat met verzoekers ongewenstverklaring sprake is van inmenging. Dit kan gerechtvaardigd zijn, maar verweerder moet dan een belangenafweging maken tussen het belang van de vreemdeling en het belang van de Staat. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ook ter zitting een dergelijke belangenafweging niet gemaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat een dergelijke belangenafweging in het voordeel van verzoeker uitvalt, te meer nu verzoeker niet ongewenst is verklaard op grond van criminele antecedenten, maar op grond van het feit dat hij hier illegaal in Nederland heeft verbleven en hiervan geen melding heeft gedaan. Het beroep van verzoeker op artikel 8 van het EVRM kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de bezwaarfase een redelijke kans van slagen dus niet worden ontzegd, zodat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijst. De voorzieningenrechter verbiedt uitzetting totdat er een beslissing is genomen over het bezwaar van verzoeker.
De uitspraak op rechtspraak.nl