Rb. 's-Gravenhage 9 november 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4150

Verweerder heeft het ontbreken van reispapieren aan eiseres tegengeworpen enkel op de overweging dat zij volgens verweerder meer gedetailleerd over haar reis had moeten verklaren. Dit oordeel verdraagt zich niet met het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Deze bepaling is gezien de tekst ervan toepasbaar als een vreemdeling toerekenbaar geen reispapieren overlegt en niet als het ontbreken van reispapieren niet toerekenbaar is, maar het reisverhaal van de vreemdeling volgens verweerder onvoldoende gedetailleerd is. Gelet hierop is het beroep gegrond. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder bij de beoordeling van het asielrelaas van eiseres ten onrechte de maatstaf van de positieve overtuigingskracht heeft gehanteerd. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen op de aanvraag van eiseres en de geloofwaardigheid van haar verklaringen opnieuw moeten beoordelen. Omdat verweerder de verklaringen van eiseres over haar seksuele geaardheid geloofwaardig acht, kan de rechtbank daarover wel een oordeel geven. Naar het oordeel van de rechtbank betoogt eiseres terecht dat van haar niet in redelijkheid kan worden gevergd dat zij haar seksuele geaardheid na terugkeer naar het land van herkomst onderdrukt of opnieuw verbergt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat seksuele geaardheid een wezenlijk element van iemands persoonlijkheid is. In dit opzicht is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Verweerder zal de zwaarwegendheid van dit onderdeel van het asielrelaas van eiseres opnieuw moeten beoordelen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen