Rb. 's-Gravenhage 28 september 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1078

Aansprakelijkstelling loonbelasting. Verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Er sprake van inlening in de zin van artikel 34 van de Invorderingswet 1990. Het anoniementarief is terecht toegepast, ondanks het feit dat de ter beschikking gestelde werknemers werkten met eigen gereedschap. Er is geen aanleiding voor matiging op grond van artikel 34 paragraaf 5, tweede lid, van de Leidraad Invordering 2008, omdat eiser niet aannemelijk maakt dat is voldaan aan de in die bepaling genoemde voorwaarden voor matiging. Bij de berekening van de nageheven loonbelasting is terecht (directe) brutering toegepast, omdat eiseres niet aannemelijk maakt dat sprake is geweest van brutoloonafspraken of dat de uitlener bij de uitbetaling van het loon de daarover verschuldigde belasting en premies Ziekenfondswet en Werkeloosheidswet pas later voor zijn rekening heeft genomen. Aan eiseres komt niet het recht toe een verzoek te doen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, 1°, van de Wet op de loonbelasting 1964. Bij (de hoogte van) de aansprakelijkstelling hoeft geen rekening te worden gehouden met het tijdsverloop tussen het boekenonderzoek en de aansprakelijkstelling, omdat niet aannemelijk is geworden dat eiseres daardoor in haar bewijspositie is geschaad. De aansprakelijkstelling is niet in strijd met 6 EVRM, omdat deze alleen de loonbelasting betreft.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen