Rb. 's-Gravenhage 7 oktober 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN9949
Uit de door eiseres ingebrachte stukken, blijkt dat vanaf mei 2009 de veiligheidssituatie in Mogadishu is verslechterd, waarbij vele burgerslachtoffers zijn gevallen, en dat deze slechte situatie ten tijde van belang nog voortduurde. Voorts volgt daaruit dat de veiligheidssituatie in Mogadishu slechter is dan in andere delen van Zuid- en Centraal-Somalië. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2010 (zaak nr. 201005094/1) dient de toetsing aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn in voorkomend geval plaats te vinden tegen de achtergrond van het betrokken gebied waarnaar de desbetreffende vreemdeling dient terug te keren, in casu Mogadishu. In het licht van het voorgaande had verweerder nader dienen te motiveren waarom in Mogadishu geen uitzonderlijke situatie wordt aangenomen als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De gegeven motivering volstaat niet. Hierbij is van belang dat verweerder de cijfers over het aantal burgerslachtoffers, die dienen ter ondersteuning van zijn stelling dat geen aanleiding wordt gevonden voor het aannemen van bedoelde uitzonderlijke situatie, niet heeft bezien in relatie tot het aantal inwoners in Mogadishu, maar in relatie tot de gehele populatie van Zuid- en Centraal-Somalië. Ook de met de slechte veiligheidssituatie samenhangende slechte humanitaire situatie had verweerder dienen te bezien tegen de achtergrond van Mogadishu. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl