Rb. 's-Gravenhage 27 september 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN8682
Intrekking verblijfsvergunning / Irak / beëindiging categoriaal beschermingsbeleid / geen toetsing aan artikel 16, tweede lid, van de Definitierichtlijn / Basra / geen situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat een verblijfstitel op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw is gelijk te stellen met een verblijfstitel die op grond van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn kan worden verleend, zodat verweerder bij intrekking van eisers verblijfsvergunning aan artikel 16 Definitierichtlijn had behoren te toetsen. Hoewel er raakvlakken zijn tussen de tekst van de a-indicator van artikel 3.106 Vb en de tekst van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, volgt uit de uitspraak van het Hof van 17 februari 2009 niet dat met de verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, een subsidiaire verblijftitel zou zijn verleend op grond van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. De rechtbank leest de overwegingen 41 en 42 aldus, dat het aan de Nederlandse rechter is om artikel 29, eerste lid, onder b en d, Vw, conform de Definitierichtlijn uit te leggen. Vervolgens heeft de Afdeling in de uitspraak van 25 mei 2009 (nr. 200702174/2/V2, JV 2009/291) geoordeeld dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, voorziet in de vereiste (subsidiaire) bescherming als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn en niet artikel 29, eerste lid, onder d, Vw. Nu, gelet op voornoemde jurisprudentie van de Afdeling, de bescherming van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw van een andere orde is dan de bescherming die de Definitierichtlijn beoogt te bieden, kan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, niet worden aangemerkt als gunstiger norm in de zin van artikel 3 van de Definitierichtlijn. Verweerder heeft de beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid dan ook niet hoeven toetsen aan artikel 16, tweede lid, van de Definitierichtlijn. De rechtbank is ex tunc toetsend van oordeel dat, nu verweerder het asielrelaas van eiser in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten, eiser niet gevolgd kan worden in zijn stelling dat hij ten tijde van de vergunningverlening in aanmerking had moeten komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, a, b of c, Vw. De rechtbank overweegt ten aanzien van de huidige situatie als volgt. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de Afdeling niet kan worden gevolgd in het oordeel dat artikel 3 van het EVRM ook bescherming biedt tegen schade als gedefinieerd in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Weliswaar verschillen de bewoordingen van artikel 3 van het EVRM en artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, maar de jurisprudentie van het EHRM, in het bijzonder rechtsoverweging 115 van het hiervoor genoemd arrest NA. tegen het Verenigd Koninkrijk, biedt naar het oordeel van de rechtbank thans geen aanknopingspunten voor het oordeel dat artikel 3 van het EVRM zo beperkt moet worden opgevat dat het niet ziet op een situatie als omschreven door het Hof in rechtsoverweging 43, tweede gedachtestreepje, van het arrest van 17 februari 2009. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser met de door hem overgelegde informatie niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Basra sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl