Rb. 's-Gravenhage 30 augustus 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN6837
Eiser heeft zich in deze beroepszaak (onder meer) op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat de weigering om hem een vergunning te verlenen op grond van de regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (de Regeling) een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert. Het beroep van eiser betreft zowel een besluit op bezwaar naar aanleiding van een kenbare weigering hem een aanbod in het kader van de genoemde Regeling te doen, als tegen de weigering hem een vergunning op grond van die regeling te verlenen naar aanleiding van een aanvraag. Partijen stellen dat deze zaak, omdat er ook sprake is van een aanvraag, verschilt van de zaak waarover de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich in de uitspraak van 5 maart 2010 (LJN: BL7404) heeft uitgelaten. De strekking van deze uitspraak van de Afdeling is naar het oordeel van de rechtbank echter dat onder de omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot verlening van een vergunning op grond van de Regeling – zijnde een specifieke, met een bepaald doel in het leven geroepen regeling – niet kunnen worden gerekend omstandigheden die betrekking hebben op het uitoefenen van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit de uitspraak te concluderen dat, het buiten toetsing laten van artikel 8 van het EVRM alleen aan de orde is bij een ambtshalve beoordeling of iemand voldoet aan de voorwaarden van de Regeling en niet tevens in een situatie als de onderhavige waarin eiser (ook) een vergunning op grond van de Regeling heeft aangevraagd. Relevant is naar het oordeel van de rechtbank enkel dat een toetsing aan de voorwaarden van de Regeling voorligt, niet langs welke weg die toetsing aan verweerder is komen voor te liggen. RANOV; onderscheid ambtshalve toetsing en beslissing op aanvraag; artikel 8 EVRM
De uitspraak op rechtspraak.nl