Rb. 's-Gravenhage 2 augustus 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3826
Alhoewel aan artikel 8 van het EVRM in het kader van vergunningverlening als gevolg van artikel 29, eerste lid, sub e en f, geen zelfstandige betekenis toekomt, oordeelt de rechtbank dat waar het de uitleg van de term ‘family life’ betreft, deze in harmonie dient te zijn met de uitleg die het EHRM daaraan heeft gegeven in het kader van artikel 8 van het EVRM. Geconcludeerd wordt dat er een te grote discrepantie is tussen de door verweerder in de onderhavige zaak voorgestane uitleg van het begrip ‘feitelijke gezinsband’ in artikel 29, eerste lid, onder e en f, van de Vw 2000 en de door het EHRM daaraan gegeven invulling in de zaak Tuquabo-Tekle versus Nederland van 1 december 2005 (JV 2006, 34). Uitgangspunt dient te zijn dat een feitelijke gezinsband tussen ouders en eigen kinderen verondersteld wordt aanwezig te zijn, tenzij er sprake is van een uitzonderlijke situatie. De rechtbank oordeelt dat verweerders motivering dat er sprake is van een dergelijke situatie onvoldoende draagkrachtig is.
De uitspraak op rechtspraak.nl