Rb. 's-Gravenhage 3 augustus 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3317

artikel 5 Rva 2005 / recht op opvang / AC-procedure / asielzoeker / eindigt van rechtswege / artikel 64 Vw / uitstel van vertrek Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was verzoeker ten tijde van het bestreden besluit geen vreemdeling die op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, van de Rva 2005 is gelijkgesteld met de in het tweede lid van die bepaling genoemde categorieën asielzoekers aan wie opvang wordt geboden. Op grond van artikel 4, derde lid, van de Rva 2005 genereert het enkel indienen van een aanvraag om verder uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw 2000 geen recht op voorzieningen in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder f, van de Rva 2005. Verder eindigt ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rva 2005 het recht op opvang indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder f van de Rva 2005 opvang is geboden: vier weken nadat het rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000 is geëindigd. In zoverre faalt de grief dat verzoeker recht heeft op continuering van de Rva-verstrekking vanwege zijn verzoek om verlenging van de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Voorts behoort verzoeker niet tot de categorie vreemdelingen die op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Rva 2005 juncto artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rva 2005 recht heeft op verstrekkingen vanwege zijn asielaanvraag waarop nog niet onherroepelijk is beslist, nu hij niet is te kwalificeren als asielzoeker in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rva 2005. Immers verzoeker is een vreemdeling wiens vrijheid niet rechtens is ontnomen en wiens asielaanvraag binnen 48 procesuren, het zogeheten AC-traject, is afgewezen. Derhalve faalt de grief van verzoeker dat hij recht heeft op opvang vanwege zijn asielaanvraag evenzeer. De omstandigheid dat verzoeker op 23 juli 2007 in zijn asielprocedure een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingediend, maakt dit niet anders nu hij dit verzoek niet binnen de vertrektermijn heeft ingediend, zoals volgt uit artikel 5, onder b, van de Rva 2005. Verzoeker had in zoverre dus destijds wel degelijk een belang bij het indienen van een voorlopige voorziening teneinde te voorkomen dat het recht op opvang als asielzoeker op grond van deze wettelijke bepaling van rechtswege zou eindigen. Hiermee had kunnen worden voorkomen dat hij geen recht meer had op opvang op het moment dat de termijn van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 en het daaraan gekoppelde recht op opvang eindigde.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen