Rb. 's-Gravenhage 28 juli 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3236
De rechtbank is van oordeel, alle belangen en omstandigheden van het geval afwegende, dat de vrouw geen vervangende toestemming verleend dient te worden om zich met de twee minderjarige in Denemarken te vestigen, hoe begrijpelijk haar wens daartoe ook is. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking: Het regelmatige contact tussen de man en de minderjarigen wordt onvoldoende gewaarborgd indien de vrouw zich met de minderjarigen in Denemarken vestigt. De minderjarige F is pas één jaar oud en bevindt zich middenin de hechtingsfase. Sinds haar geboorte heeft zij zeer beperkt contact met de man gehad. De rechtbank is van oordeel dat het van wezenlijk belang is dat het contact tussen de man en F wordt geïntensiveerd om het hechtingsproces op gang te brengen. De rechtbank is van oordeel dat een verhuizing naar Denemarken aan voormeld hechtingsproces in de weg staat, nu de daarvoor benodigde intensiteit van het contact met de man niet haalbaar is. Ten aanzien van de minderjarige M overweegt de rechtbank dat het contact met de man als gevolg van de verhuizing naar Denemarken aanzienlijk zal worden beperkt. Hoewel de thans geldende weekendregeling conform het voorstel van de vrouw in stand zou kunnen blijven, zouden de wekelijkse contacten op woensdag wegvallen, terwijl M een zodanige jonge leeftijd heeft dat wekelijkse contacten in zijn belang zijn. Voor zover de vermindering van de frequentie van het contact tussen M en de man al ondervangen zou kunnen worden door het gebruik van moderne communicatiemiddelen zoals Skype, is de rechtbank van oordeel dat dit niet voor de minderjarige F geldt, aangezien zij daarvoor nog te klein is. De rechtbank zijn voorts financiële en praktische bezwaren gebleken die aan de door de vrouw voorgestelde contactregeling in de weg staan. De rechtbank acht de lange reizen die de voorgestelde contactregeling met zich brengt te belastend voor de nog jonge kinderen. Voorts heeft de man voldoende onderbouwd dat zijn financiële situatie het niet toelaat om uitvoering te geven aan de voorgestelde contactregeling. Daarnaast is het de vraag of de voorgestelde contactregeling naar behoren zal worden uitgevoerd, nu de communicatie en de verstandhouding tussen partijen te wensen overlaat. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat zij genoodzaakt is om in Denemarken te gaan werken teneinde in haar levensonderhoud en dat van de kinderen te kunnen voorzien. Hoewel de vrouw thans in Nederland geen werkkring heeft, heeft zij hier te lande van april 1999 tot november 2007 fulltime bij verschillende werkgevers gewerkt. Niet gebleken is dat zij niet opnieuw in Nederland een passende baan zou kunnen vinden. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de vrouw in Denemarken wel over betere huisvesting zou kunnen beschikken dan in Nederland. Immers, de vrouw kan met de kinderen bij haar moeder intrekken.Verder zal de huidige financiële situatie van de vrouw bij een verblijf in Denemarken direct verbeteren, nu zij een baan heeft aangeboden gekregen als boekhouder, welke baan overigens niet is afgestemd op haar ervaring en opleiding. Voor wat betreft haar sociale netwerk brengt de verhuizing naar Denemarken met zich dat de vrouw dichter bij haar overige familieleden – een broer en een neef – en eventuele andere vrienden zal wonen. Naar het oordeel van de rechtbank wegen voormelde door de vrouw aangevoerde belangen echter niet op tegen de hiervoor geformuleerde belangen van de minderjarigen en de man.
De uitspraak op rechtspraak.nl